Een genotoxiciteitsstudie wordt opgezet om stoffen op te sporen die genetische schade aanrichten, direct of indirect via cellen die zijn blootgesteld aan toxische substraten. Genotoxiciteitsstudies kunnen worden uitgevoerd in vitro of in vivo. Stoffen die positief zijn in de proeven die dergelijke schade detecteren, zouden kanker en/of erfelijke afwijkingen kunnen veroorzaken. Geen enkele enkelvoudige test kan alle relevante genotoxische middelen opsporen; daarom is de gebruikelijke aanpak dat een reeks testen wordt gedaan die niet zozeer hiërarchisch van elkaar verschillen als wel aanvullend werken. Een standaard onderzoeksbatterij heeft de volgende testen: Een test op genmutaties bij bacteriën, Een in vitro test met cytogenetische (bestudeert de structuur en de werking van de cel) evaluatie van de chromosomale schade met zoogdiercellen, Een in vivo test op chromosomale schade met behulp van hematopoëtische (bloed- of bloedcelvormende) cellen.

Volg ons ook op
RSS
Facebook